Payvand
 
|
 


 

De invloed van Perzische dichters op de Nederlandse literatuur

Meer dan gedichtjes lezen

Christiaan Weijts

Mark Twain had tot op zijn sterfbed altijd een bundeltje van Omar Khayyam op zak. Ook Nederlandse auteurs zijn dol op Perzische poëzie. Van Bilderdijk tot Jan Wolkers. Vrijdag verschijnt voor het eerst een monografie over de invloed van Perzische poëzie op de Nederlandse literatuur.

Samen met de lente begint volgende week het Perzisch nieuwjaar. Menig Iraniër zal bij de viering daarvan wat dichtbundels openslaan. Om de toekomst te voorspellen. Vooral de veertiende-eeuwse dichter Hafez leent zich daar goed voor. ‘Met je ogen dicht spreek je een formule uit en stel je een vraag’, legt dr. Asghar Seyed-Gohrab van de opleiding Perzische taal en cultuur uit. ‘Je slaat Hafez op een willekeurige pagina open en er staat een gedicht van zeven, acht regels met een boodschap. Doe het wel, doe het niet, wacht nog even. Dat is een gebruik dat al uit de elfde eeuw stamt.’

Nederlanders die afgunstig kijken naar zo’n ritueel met orakelpoëzie hoeven niet te vrezen: niets belet ze om Perzische bundels ter hand te nemen. Vertalingen zijn ruimschoots voorhanden en de invloed op de westerse literatuur is zeer groot geweest.

‘Sinds de zestiende eeuw bestaat er in Nederland belangstelling voor het Perzisch’, vertelt dr. Marco Goud van de opleiding Nederlandse taal en cultuur. ‘Toch is er nooit een boek verschenen over de receptie van de Perzische literatuur.’

Vrijdagmiddag komt daar verandering in. Met een lezing van schrijver Kader Abdolah wordt het boek De Perzische muze in de polder ten doop gehouden. Neerlandicus Goud en Iranist Seyed-Gohrab zijn de redacteuren van de bundel, die de neerslag is van een symposium in mei vorig jaar, toen wetenschappers uit beide disciplines samenkwamen.

De twee leerden elkaar kennen bij het Nederlands Omar Khayyam Genootschap, dat zich richt op de dichter die in Europa waarschijnlijk de meeste bekendheid verwierf: Omar Khayyam (1048-1131). Goud stuitte op hem tijdens onderzoek naar de dichter P.C. Boutens (1870-1943), die in 1913 honderd kwatrijnen uit de Rubaiyat vertaalde. Goud: ‘Hij is ook door veel andere Nederlandse dichters vertaald. In het boekenweekgeschenk van vorig jaar, van Jan Wolkers, komt ook een kwatrijn van Khayyam voor. Dan zitten ze ergens wijn te drinken en zegt hij: “Zoals de dichter Omar Kayyam schreef: sinds mijn geboorte, nu en tot mijn dood, heb ik gedronken, drink en zal ik drinken.” Dat is een vertaling van J.H. Leopold. Wolkers kent die vertaling, waarschijnlijk zelfs uit zijn hoofd. De Khayyam-vertalingen van Leopold zijn nogal aards, terwijl die van Boutens veel mystieker zijn. Boutens baseerde zich onder meer op een Franse vertaling van J.B. Nicolas uit 1867. Die geeft een erg mystieke interpretatie van de gedichten en komt in voetnoten vaak met God aanzetten.'

‘Terwijl,’ vult Seyed-Gohrab aan, ‘Khayyam helemaal niet mystiek is. Er wordt geen poging gedaan om de zaken heel mystiek voor te stellen. Vaak wordt er in een kwatrijn een vraag gesteld. Zoals: hoe ga je om met de vergankelijkheid? En het antwoord in de vierde regel is dan: wijn drinken. Heel aards.’

'Bij Leopold zie je die aardsheid ook en zelfs vertwijfeling. Maar je vindt dat ook wel bij Boutens, zoals in dit kwatrijn,' zegt Goud en slaat een bundel van hem open op de orakelmanier van nieuwjaar.


‘Het geheim der eeuwigheid weet gij noch ik

Haar raadselspreuk ontcijfert gij noch ik

Achter den voorhang wordt van ons gesproken

Maar valt de voorhang, waar zijn gij en ik?’


Een studie naar de invloed van Perzische poëzie op de Nederlandse literatuur is een oude wens van emeritus hoogleraar Perzisch J.T.P. de Bruijn. De Bruijn schreef twee bijdragen voor het boek en is lange tijd bezig geweest met de invloed van Perzische dichters op het Nederlands. Hij vond dat ook de invloed van andere dichters dan Khayyam eens goed onderzocht moest worden.

Saadi bijvoorbeeld, uit de dertiende eeuw. Seyed-Gohrab: ‘Bilderdijk heeft hier in Leiden een tijdje Perzisch gestudeerd, en heeft passages uit De Rozentuin van Saadi vertaald. Maar hoe goed zijn Perzisch was, durft niemand te zeggen.’

Boutens deed, met hulp van een bevriend hoogleraar, ook studie naar de brontaal, maar een groot kenner werd hij niet. ‘Hij heeft zich wel in die taal verdiept voor de klank en het ritme en de vorm van een kwatrijn,’ weet Goud. ‘En publiceerde in 1930 een bundel Oud-Perzische Kwatrijnen, waarvoor hij helemaal geen bronnen noemt. Als je dat onderzoekt, blijkt dat hij zich baseert op de Franse vertaling La Roseraie du Savoir van Hocéÿne-Azad.'

Met enkele aanpassingen. ‘Als het gaat om een geliefde gaat, is dat in het Frans vrijwel altijd een vrouw. Boutens maakt daar een man van. Misschien omdat hij zelf homoseksueel was, maar misschien ook omdat hij meer terugwilde naar de bron. In het Perzisch heb je namelijk geen geslachten. Vaak is er sprake van een homo-erotische tendens in de Perzische bronnen.’

Seyed-Gohrab beaamt dat: ‘In de vroeg Perzische hofpoëzie kun je nauwelijks spreken over heterorelaties. Die poëzie is puur homo-erotisch. In het Perzisch is ook het begrip liefde niet eenduidig. Je hebt verschillende lagen van liefde, van minnaars, vrienden, familieleden of God. Je kunt niet weten over welke er gesproken wordt, dan moet uit de context blijken. “Vriend” in het Perzisch kan geliefde betekenen, maar ook God.’

Dat de romantische dichters als Byron en Goethe of, in Nederland, Willem Bilderdijk met exotische Perzische poëzie begonnen te dwepen is begrijpelijk, maar hoe komt het dat die poëzie al redelijk vroeg in de geschiedenis aansloeg bij geleerden? Seyed-Gohrab: ‘In de tijd van de Verlichting zocht men vreemde culturen op om naar zichzelf te kunnen kijken, en zichzelf te kunnen bestuderen. Wie ben ik? Waar sta ik? Daardoor zijn zij in contact gekomen met de Perzische wereld, waarin Saadi een van de belangrijkste dichters was. Perzisch was ook de cultuurtaal van de Ottomanen. Die waren tot aan Oostenrijk gekomen. Zij hadden heel veel Perzische handschriften, zoals De Rozentuin van Saadi.’

‘Bovendien ontdekten geleerden in Leiden in de zeventiende eeuw dat Perzisch verwant was aan het Nederlands. Het is een Indo-Europese taal, zoals dat later zou gaan heten. Je ziet het nog aan woorden als madar, pedar en dokhtar, moeder, vader en dochter.’

Ook trok de Perzische literatuur aan om een hele basale reden: de mooie verhalen. 'In het Perzisch heb je veel klassieke heroïsche en mystieke gedichten. En in die gedichten vind je prachtige anekdotes, of korte verhalen. Die heb je in het Westen in mindere mate. Daar zijn ze vaak voor een eliteklasse bedoeld. De Perzische verhalen gaan vaak over de noodlottigheid van de mens. Over vragen die je je misschien elke dag stelt: wat doe je hier, wat doe ik op deze aarde? Dat zijn in Nederland bijna verboden vragen geworden. In Nederland spreek je niet over de dood. Hier zijn gedichten ook vaak voor een eliteklasse bedoeld. In de Perzische cultuur is poëzie deel van je identiteit. Dat is niet zoiets als een hobby. Het is niet even een gedichtje lezen.’

Goud herkent dat: ‘Vorig jaar werd bij mij thuis een nieuwe computer geïnstalleerd. De man die dat deed, kwam uit Iran. Toevallig was ik net met de voorbereiding van het symposium bezig. Ik had het postertje op mijn bureau liggen. Die man zag Omar Khayyam, en begon meteen verzen in het Perzisch te citeren. In Nederland hoef je er niet meer om te komen dat iemand spontaan gedichten van Vondel of Bloem begint te reciteren.’

Datum: 16 maart 2006

Bron: http://www.leidenuniv.nl/mare/2006/24/13.html