Payvand
 
|
 


 

Mooie spulletjes uit Perzië

AMSTERDAM - Hoe zou het voor Iraniërs zijn om een tentoonstelling over de Nederlandse cultuur te zien aan de hand van een met erotische teksten gegraveerde schoenlepel van Willem van Oranje, het zilveren sieradenkistje voor de melktandjes van koningin Emma, de vergulde bedpan van Willem II en de collectie bronzen kievitseieren van Prins Bernhard?

De vraag doet zich onomwonden voor bij de bezichtiging van de expositie Perzië. Dertig eeuwen kunst & cultuur die nu in de Hermitage Amsterdam te bezichtigen is. Want daar doet zich precies het omgekeerde voor: een presentatie van tweehonderd voorwerpen uit het rijke Perzische verleden, afkomstig uit de moeder-Hermitage in St. Petersburg en bijeengebracht om de Nederlanders ‘de ogen te openen’, zoals directeur van de Amsterdamse Hermitage, Ernst Veen, in de catalogus voorspelt.

Maar wie de expositie heeft bezocht, is één ding duidelijk: wat het museum ook uit kast heeft gehaald om de rijke geschiedenis van Perzië te laten herleven, de ogen voor wat dan ook gaan nergens open. Ondanks de overdaad aan landkaarten, jaartallen en citaten, de overvloed aan onuitspreekbare namen van koningen, sjahs en kalifaten, of de tabellen met stijlen en stromingen.

De tentoonstelling mist daarvoor de noodzakelijke samenhang. Zeker om een lange periode van 3.000 jaar in een voor ons vreemde cultuur toegankelijk en behapbaar te maken. Het mist bovendien, even noodzakelijk bij dit soort overzichten, de visie van een specifieke invalshoek. Of een actualiteitswaarde die, met de huidige belangstelling voor Iran en de islam, toch voor het oprapen ligt.

Kortom, Perzië. Dertig eeuwen kunst & cultuur is een weer zo’n typische cut and paste-tentoonstelling waarmee Ernst Veen sinds jaar en dag furore maakt. De directeur van de Hermitagedependance en de Nieuwe Kerk in Amsterdam, die de afgelopen jaren al het goud en zilver uit de gebieden rond de Middellandse Zee en het Midden-Oosten tot een onverklaarbare klont heeft weten om te smelten. Met armbanden en zeepbakjes uit Marokko, waterpijpen en stijgbeugels uit Istanbul en nu dus ketels en kannen uit Perzië heeft hij nooit méér weten duidelijk te maken dan dat al deze culturen totaal inwisselbare kunstschatten hebben voortgebracht.

 

 

Eén ding mag duidelijk zijn: aan de vazen, borden, miniaturen, reukflesjes, tegels, schilderijen, kaligrafieën en textielfragmenten ligt het niet. Een gecraqueleerde schaal met twee blauw geglazuurde reigers, een zwarte vaas met vogelbektuit of een schildering met naakten (!) – ze zijn van een verbluffende schoonheid en geraffineerd vakmanschap.

Aan het publiek ligt het ook niet. Dat staat voorovergebogen met uiterste concentratie de teksten in het begeleidende boekje en de inhoud van de vitrines te bestuderen, op zoek naar elk snippertje informatie dat de voorwerpen meer tot leven kan wekken. Tevergeefs. Wat op zich immoreel is: je lokt duizenden bezoekers met goud, wierook en mirre naar het museum, om ze vervolgens totaal onwetend in de kou te laten staan. Verstoken van elke onderliggende samenhang. Of om in de stemming van de komende paasdagen te blijven: de tentoonstelling is als een single met de hoogtepunten uit de Matthäus Passion – mooie aria’s, maar hoe verloopt het passieverhaal ook alweer precies?

Rutger Pontzen, Volkskrant