Payvand
 
|
 


Iraniërs in Nederland,een profiel

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

‘Er is iets heel vreemd gebeurd. Op een gegeven moment voelde ik dat ik al deze Iraniërs niet meer als echte Iraniërs zag. Dat is een positieve eigenschap van Iraniërs. De in Frankrijk wonende Iraniërs hebben veel gevoel voor humor. Ik ontdekte een tolerantie die ik van Nederlanders heb geleerd. De in Duitsland wonende Iraniërs wilden mij niet eens een hand geven. In Iran geven wij elkaar bij het groeten twee zoenen, in Nederland zijn dat er drie en in Frankrijk vier, dus ik gaf iedereen tussen twee en vier zoenen bij het groeten. De conclusie die ik hier trek is dat culturen langzaam dood gaan. Wat er overblijft zijn sferen. Als je geen Iraniër was, dan kon je deze humor niet herkennen. Wij gedragen ons niet naar de normen en waarden in Iran, maar iets wat wij toch allemaal gemeen hadden was de humor die alleen Iraanse mensen kunnen herkennen. Soms door een blik, een beweging of een woord. Dus de sfeer was Iraans, ook al woonden we allemaal in andere landen.’ (citaat van een Iraniër uit ‘Al doende een identiteit’)

Inhoud

Voorwoord
1 Schets van land en volk
1.1 Geografie
1.2 Demografie
1.3 Cultuur
1.4 Religie
1.5 Politieke geschiedenis
1.6 Economie
1.7 Vertrek uit Iran
2 Situatieschets van Iraniërs in Nederland
2.1 Demografische data
2.2 Samenstelling van de populatie
2.3 Toelating en verblijfsperspectief
2.4 Netwerk in Nederland
3 Positie op het terrein van integratie
3.1 Startpositie
3.2 Arbeidsmarkt
3.3 Onderwijs
3.4 Gezondheid
3.5 Huisvesting
3.6 Sociale relaties
4 Conclusie voor het integratieproces
Gebruikte literatuur
Voorwoord
Dit profiel geeft een schets van de positie van Iraniërs in Nederland. Sinds het massale vertrek van Iraniërs vooral na de vestiging van de Islamitische Republiek vormen zijn één van de grotere vluchtelingengroepen in Nederland. Het profiel is samengesteld op basis van de thans beschikbare literatuur over Iraniërs in Nederland, en met materiaal over de geschiedenis van Iran. Het profiel beoogt een compact overzicht te bieden van de actuele positie van Iraniërs in Nederland tegen de achtergrond van hun komst, bestemd voor degenen die meer willen weten over hun achtergronden.
Graag wil ik allen bedanken die de auteur met adviezen en literatuur terzijde hebben gestaan, in het bijzonder de leden van de expertgroep die conceptteksten hebben becommentarieerd: Samad Farrokhseresht, Farhad Golyardi, Shervin Nekuee, Sepehr Joussefi, Ramin Keywanshokouh, Anita Afshar Medhikhan, M. Eskandargah, Parvin Shabhazi Feshtaly, Jahan Valianpour, Abbas Naseri, en John Poorthoven. Verder dank aan Keyvan Shahbazi (BZK), Sander de Boode en Gert Jan van Holk (Immigratie- en Naturalisatiedienst) voor hun bijdragen. De uiteindelijke tekst blijft voor rekening van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden (DCIM) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor adviezen tot verbetering en aanvulling van de tekst houdt de directie zich aanbevolen.

Den Haag, mei 2002
Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden
M.L. Haimé,
directeur

1 Schets van land en volk

1.1 Geografie
Iran meet 1.648.000 km2 en is daarmee op 16 landen na het grootste van de wereld, ongeveer 40 maal groter dan Nederland. Aan de noordkant van het land liggen Azerbeidzjan, Armenië, Turkmenistan en de Kaspische zee. In het noordwesten grenst het aan Turkije, in het zuidwesten aan Irak en Koeweit, en in het zuiden aan de Perzische Golf en de Golf van Oman. Aan de oostkant ligt Afghanistan in het noorden en Pakistan in het zuiden. De grootste diagonale afstand in Iran bedraagt 2.333 kilometer. Iran kent grote geologische contrasten, bergen, dichte bossen en valleien, vlakten en woestijnen. Het grootste deel van Iran bestaat uit een bergachtig plateau, meer dan 1000 meter boven zeeniveau met pieken tot bijna 6.000 meter, een woestijn in het centraal-oostelijk gedeelte dat 1/3 van het gehele land bestrijkt en een nauwe kustvlakte in het zuiden en het noorden (Kaspische zee). Er stromen geen grote rivieren door het land. Het klimaat is variabel. In het noordwesten zijn de winters koud en de zomers heet.In het zuiden zijn de winters mild en de zomers zeer heet. In de hoofdstad Teheran dat in de noordelijke hoogvlakte ligt, zijn de winters vrij koud met sneeuw, en de zomers heet en droog met temperaturen tot soms boven 40oC.


1.2 Demografie
Het aantal inwoners wordt geschat op 65 miljoen. Meer dan de helft van de bevolking woont in stedelijke gebieden. Volgens schattingen is het inwonertal van de hoofdstad Teheran inmiddels opgelopen tot 12 miljoen of meer. Het totale inwonertal is inclusief 1, 4 miljoen vluchtelingen uit Afghanistan en 600.000 uit Irak. Sinds de Islamitische
revolutie van 1979 zijn enkele miljoenen burgers in afwachting van betere tijden het
land ontvlucht.

Het Iraanse volk bestaat uit verschillende etnische bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken. Het grootste deel van de populatie (meer dan 60%) zijn Perzen (inclusief de etnische groepen Gilaki, Mazandarani en Loeren). Daarnaast wonen er Azeri’s (ook wel Azerbeidzjani genoemd) (24%), Koerden (7%), Arabieren (3%), Baloetsji’s (2%) en Turkmenen (2%). Onderverdeeld naar geloofsachtergrond zijn er islamieten (merendeels shi’ieten, daarnaast soennieten) Bahá’ís en christelijke (Armeniërs en Assyriërs), joodse en zoroastrische minderheden. Op politiek gebied is er een onderverdeling naar aanhangers van de monarchie, linkse politieke partijen, moslimgroeperingen en nationaal-liberale bewegingen. De populatie is zeer jong: 70% is onder de 30 jaar.

1.3 Cultuur
De nationale, Perzische cultuur is sterk en gaat 2500 jaar terug. Het huidige alfabet en de geschreven literatuur zijn 1000 jaar oud. De Perzische taal is al die tijd één van de belangrijkste fundamenten van het nationaal bewustzijn gebleven. Kennis over de Perzische cultuur, religie, volksgebruiken en gewoonten wordt doorheen het hele volk gecultiveerd. Cultuur en geschiedenis zijn voor elke Iraniër belangrijke wortels waarop men trots is. Die trots op de rijke traditie van het Perzische volk wordt in de volksaard gecombineerd met verzet tegen vreemde overheersing waar het volk doorheen de
geschiedenis zo vaak het slachtoffer van is geweest. De hedendaagse Perzische cultuur is te omschrijven als een mengeling van een historische volksidentiteit, zoroastische elementen, islamitische invloeden (in 641 na Chr. hebben de Arabieren de islam naar Iran gebracht) en hedendaagse, westerse denkbeelden. Dit alles heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het land, enerzijds tot een semi-traditionele samenleving, anderzijds tot een semi-moderne.
Een ander aspect is het gevoel van verbondenheid met en verplichtingen jegens familieleden, dat richtinggevend is voor hoe Iraniërs denken en handelen. Het familienetwerk vormt een intern netwerk voor ondersteuning. De Iraanse economie
draait voor een belangrijk deel op familieverbanden en familiekapitaal. Door de ontwikkelingen van de laatste decennia (modernisering, oorlog, emigratie) verbrokkelt deze verwantschapsstructuur allengs.

Als gevolg van de islamitische revolutie (1979) zijn de regels en gebruiken van de islam met alle terreinen van de amenleving en de cultuur verweven geraakt. Met de invoering van de islamitische wetgeving (sharia) is de vrouw ondergeschikt geworden aan de man. Dit brengt mee in dat de vrouw voor vrijwel alle handelingen toestemming moet vragen aan haar vader of haar echtgenoot. Het erfrecht bevoordeelt zonen boven dochters. Op gebieden als onderwijs en sport zijn de seksen streng gescheiden. Vrouwen zijn uitgesloten van functies in de rechterlijke macht, de religie en het leger. Verder wordt er streng op toegezien dat vrouwen zich houden aan de islamitische kledingvoorschriften. Nagenoeg elke Iraniër spreekt modern Perzisch (ook wel Farsi genoemd) als 1e of 2e taal. Perzisch is een Indo-Europese taal, die wordt geschreven in een aangepaste vorm van het Arabisch alfabet. Het is de officiële landstaal. Met name in westelijk Iran worden ook Koerdisch, Azeri (een Turkse taal) en Arabisch gesproken. Geletterde Iraniërs spreken Engels, soms Frans.

Achter de zeeën

Een boot zal ik bouwen
en hem te water laten.
Ver zal ik gaan van dit
vreemde oord
waar niemand de helden uit het
liefdesbos tot leven wekt.

De boot, leeg zonder net
en mijn hart, van het verlangen
naar parels.
Verder nog zal ik varen,
me niet hechten aan het blauw,
noch aan de zee,
noch aan de zeenimfen, die
- het hoofd uit het water -
in het schijnsel van verlaten vissers
met hun vlechten magie verspreiden.

Nog verder zal ik varen
en nog vaker zal ik zingen:
Verder en verder.

Sohrab Sepehri, 1967
(Vertaling: Keyvan Shahbazi)

پشت درياها

قايقي خواهم ساخت
خواهم انداخت به آب

دور خواهم شد از اين خاك غريب
كه در آن هيچ‌كسي نيست كه در بيشه عشق
قهرمانان را بيدار كند

قايق از تور تهي
و دل از آرزوي مرواريد
هم‌چنان خواهم راند
نه به آبي‌ها دل خواهم بست
نه به دريا-پرياني كه سر از خاك به در مي‌آرند
و در آن تابش تنهايي ماهي‌گيران
مي‌فشانند فسون از سر گيسوهاشان

هم‌چنان خواهم راند
هم‌چنان خواهم خواند
دور بايد شد، دور


سهراب سپهری، ۱۹۶۷

(برگردان کیوان شهبازی)

In Iran wordt de islamitische zonnekalender gehanteerd, verdeeld in vier jaargetijden van drie maanden. De eerste zes maanden hebben 31 dagen, de volgende 5 hebben 30 dagen en de laatste maand heeft 29 of 30 dagen. Het Iraanse nieuwjaar vangt aan op 21 maart en begint te tellen in het jaar 622 na Christus volgens de Gregoriaanse kalender,
het jaar dat Mohammed afreist van Mekka naar Medina. Het jaar 2000 is dus het jaar 1379 of 1378, afhankelijk van de datum. In religieuze kwesties wordt de islamitische maankalender gebruikt. Belangrijke feestdagen voor Iraniërs zijn:
– Nowroez (nieuwe dag): Nieuwjaarsfeest dat gevierd wordt op de eerste dag van de lente: 21 maart. Het is de elangrijkste culturele gebeurtenis van het jaar. Men viert het feest meestal met familieleden, gaat bij elkaar op bezoek, er wordt gegeten en gedronken.
– Tsjarshanbeh Soeri (rode woensdag): Dit is de laatste woensdag van het jaar en men viert het om kracht voor het nieuwe jaar te verzamelen. Op straten en pleinen worden vuren gemaakt waar men overheen springt.
– Siezdah be daar (weg met de dertiende): Dit feest wordt 13 dagen na Nowroez gevierd. Men feest met elkaar op straat.
– Jaaldaa (langste nacht): Het feest van het licht, dat men viert wanneer de dagen weer langer worden. Bij dit volksfeest is het gebruikelijk dat men lang opblijft en bepaalde spellen speelt.
– Praktiserende moslims vieren het einde van de Ramadan (Fetr) op de laatste dag van de
islamitische vastentijd van 30 dagen, in de 9e maand van de maankalender.

1.4 Religie
De islam is de officiële godsdienst van het land, en wordt door een zeer ruime meerderheid van de bevolking (99%) actief of passief beleden. Ongeveer 85% van de Iraniërs hangt de sji’ietische richting aan, een versie van de islam die in de 16e eeuw de officiële godsdienst van Iran werd. Wereldwijd is de soennitische richting veel meer verspreid. Het verschil tussen soennieten en sji’ietenen berust op een religieus verschil van mening over de opvolging van de profeet Mohammed, de grondlegger van de islam.
Maar het heeft zeker ook te maken met de nationale aspiraties van de Perzen tegen Arabische/soennitische overheersing. Dit historische religieus-politieke dispuut is terug te vinden in de politieke rol van de geestelijkheid in beide stromingen. Volgens het sji’isme is de geestelijk leider ook politiek leider. Het soennisme draagt de mening uit dat de imam voorgaat in het gebed, maar geen politieke functie heeft. Binnen de sji’ietische geestelijkheid bestaat een rangorde op grond van kennisniveau tussen de geestelijken (mollahs). Een geringe graad van scholing heeft een talabeh. Na een aantal jaren theologische opleiding kan deze de titel hojat of, nog hoger, hojat alislam verwerven. Daar boven staat een ayatollah. De meest geleerde onder hen is de ayatollah al-‘ozma, de groot-ayatollah. De ayatollah’s kunnen fatwa’s (geestelijke
voorschriften en decreten) uitvaardigen. In Iran zijn ongeveer 200.000 talebehs, 500 hojats en 100 ayatollahs. De groot-ayatollahs (er kunnen er meerdere zijn) staan bovenaan in de islamitische, geestelijke hiërarchie. In de persoon van ayatollah Ruhollah Khomeini zijn voor het eerst in de Iraanse geschiedenis de geestelijke en de wereldlijke macht samengebracht.
Na de vestiging van de islamitische republiek in 1979 is de sji’ietische islam op alle terreinen van de samenleving maatgevend.
Er zijn in Iran minder dan 10% soennitische moslims en verder nog Bahá’ís, Armeense en Assyrische christenen, joden en Zoroastriërs (samen 1%) en overigen (4%). Met uitzondering van de Bahá’ís worden genoemde kleinere groepen als
godsdienstminderheden erkend, als ‘Volkeren van het Boek’. Dat betekent dat zij over eigen godshuizen, rechtbanken en onderwijsinstellingen mogen beschikken. Ook zijn voor hen vijf zetels in het 290 leden tellende parlement gereserveerd, drie voor de Armeense/Assyrische christenen, één voor de joodse groep en één voor de Zoroastriërs.
Overigens dienen alle geloofsrichtingen zich in het openbare leven te gedragen naar de islamitische gedragslijnen zoals die sinds 1979 gelden. De ongeveer 300.000 aanhangers van het Bahá’í-geloof worden gezien als een bedreiging van de stabiliteit van het islamitische Iran en worden dan ook stelselmatig vervolgd. Het Bahá’í-geloof is in 1863 in Iran voortgekomen uit de islam, als een zelfstandige godsdienst, met islamitische, christelijke en esoterische elementen. Het leert dat de stichters van de grote wereldgodsdiensten, Krishna, Boeddha, Zoroaster, Abraham, Mozes, Jezus Christus, Mohammed en Bahá’u’lláh telkens een volgende stap in de geestelijke ontwikkeling van de beschaving vertegenwoordigen. De Bahá’ís hechten groot belang aan het universele karakter van hun leer, in het verlengde van de koran en de bijbel.
Het geloof propageert onder meer de gelijkheid van man en vrouw en de erkenning dat religie in harmonie moet zijn met de rede en wetenschappelijke kennis. Er zijn geen geestelijken in het Bahá’í-geloof. De Bahá’í-gemeenschap bestuurt zichzelf door gekozen raden. Het feit dat de Bahá’ís hun godsdienst zien als een nieuw geloof dat de koran overstijgt is voor moslims, die immers stellen dat Mohammed de laatste profeet is geweest, onaanvaardbaar. Onder het moslim-fundamentalisme is er een beweging opgekomen die er op uit is het Bahá’í-geloof uit te roeien. Vele Bahá’ís zijn daarom uit Iran vertrokken.


1.5 Politieke geschiedenis

Tot 1979
De geschiedenis van Iran kenmerkt zich door conflicten, revoluties en wisselende verhoudingen met het buitenland. Lange tijd is Iran in handen vvan Engeland en Rusland. Verschillende malen komt de Iraanse bevolking in opstand tegen de grootmachten, hetgeen in 1905 uitmondt in de ‘Constitutionele Revolutie’. In 1921 wordt de regering ten val gebracht door de Kozakkenbrigade onder leiding van Reza Khan. Hij laat zich in 1925 benoemen tot sjah (=koning) Reza Pahlavi en kroont zichzelf in 1926. Hij introduceert westerse hervormingen en drijft de islam naar de achtergrond. De sluier wordt afgeschaft en westerse kleding verplicht, maar de politieke vrijheid is beperkt. In 1941 volgt zijn zoon Mohammed Reza de eerste Pahlavi-sjah op.
Tussen de jaren 1951 en 1953 kent het land een korte periode van democratie, onder leiding van de zeer populaire premier Mohamed Mossadegh. Deze dwingt de sjah tot vertrek. De democratie is evenwel van korte duur, want in 1953
komt hij met behulp van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA opnieuw aan de macht. In 1957 verstevigt hij zijn positie door instelling van de veiligheidsdienst Savak, die zich ontwikkelt tot een gruwelijk repressief apparaat.
Het verzet tegen de sjah blijft evenwel levend en groeit mede als gevolg van de ‘witte revolutie’ (1963, zie onder ‘economie’). Geestelijk leider ayatollah Khomeini maakt daarvan gebruik en neemt het voortouw met openlijke protesten tegen het vervreemden van islamitische waarden.

1979-1989
Deze protesten leiden uiteindelijk tot de ‘islamitische revolutie’ (1979), het vertrek van de sjah, en het uitroepen van de islamitische republiek op 1 april 1979. Bij gebrek aan een charismatisch leider eist ayatollah Khomeini het leiderschap op. De staat krijgt een islamitische grondwet, gebaseerd op sji’ietische beginselen. De islamitische revolutie leidt tot belangrijke sociale veranderingen. Vlak na de revolutie genieten de burgers van een open, westerse levensstijl, maar reeds na korte
tijd wordt deze teruggedraaid en start een programma van désecularisatie van de Iraanse samenleving. Politiek, onderwijs en rechtspraak worden geïslamiseerd. Geestelijk leiders en technocraten uit de middenklasse nemen de macht van de westers georiënteerde politieke elite over. Veel politieke partijen en onafhankelijke intellectuelen (die aanvankelijk met de religieuzen hadden samengewerkt om de sjah te verdrijven) worden buiten de wet gesteld, en hun leden geëlimineerd. De vlucht naar Parijs in 1981 van Massoud Radjavi, de leider van een links-radicale islamitische beweging, en van de nieuw gekozen liberaal georiënteerde president Bani Sadr, markeert het einde van de korte periode van vrijheid na de revolutionaire omwenteling. In september 1980 breekt de oorlog uit tussen Iran en Irak over omstreden grondgebied. Deze duurt tot 1988, wanneer een wapenstilstand wordt gesloten, en kost honderdduizenden Iraniërs het leven. Tijdens de oorlog worden linkse activisten, separatistische Koerden en leden van religieuze minderheden (o.a. Bahá’ís) fel vervolgd. De wapenstilstand met Irak was door Khomeini mede ingegeven om de linkse oppositie in Iran beter te kunnen controleren. In 1988 gaf hij opdracht tot executie zonder vorm van proces van duizenden politieke gevangenen. Een internationale rel breekt uit in 1989 als Khomeini tegen de Brits-Indiase schrijver Salman Rushdie met een fatwa de doodstraf uitspreekt vanwege de publicatie van het boek The Satanic Verses (De Duivelsverzen), dat naar de mening van de geestelijkheid voor de islam beledigende passages bevat. Khomeini zet een zeer hoge prijs op het hoofd van de schrijver, die daardoor jarenlang niet aan het openbare leven kan deelnemen.


1989-1997
Na de dood van Khomeini in 1989 winnen de meer gematigden langzaam maar zeker aan invloed. Als nieuwe politiek en geestelijk leider van de Islamitische Republiek wordt door de Raad van Deskundigen Ayatollah Sayyed Ali Khamenei aangewezen, en Rafsanjani tot president gekozen.

Politieke structuur van de islamitische Republiek Iran Iran is een islamitische republiek waarbij het politieke, sociale en economische bestel is gebaseerd op de islam. Aan het hoofd staan de geestelijk leider, ayatollah Khamenei (1989) en president Seyed Mohammed Khatami (1997). De eerste geestelijk leider, ayatollah Khomeini, introduceerde het leerstuk van de valayat-e faqih, wat inhoudt dat zijn heerschappij boven de wet en de wil van de meerderheid gaat. De geestelijk leider is voor het leven benoemd. Leger, politie, rechterlijke macht en ook de president zijn aan hem ondergeschikt. Het parlement (Majlis) bestaat uit 290 rechtstreeks voor 4 jaar gekozen
vertegenwoordigers, maar zijn macht is beperkt. Er is een ‘Raad van Toezicht (‘Raad van Hoeders’) met vetorecht over elk parlementsbesluit dat ‘in strijd met het beginsel valayat-e faqih is. De Raad van Toezicht wordt gevormd door 12 raadsleden, voor de helft benoemd door de Geestelijk Leider.

 

Gezagsstructuur islamitische Republiek Iran

Geestelijk leider:
1 mag het parlement naar huis sturen en / of het rechten ontnemen
2 benoemt de RVBS
3 benoemt helft van de RT
4 mag de president naar huis sturen en/ of zijn rechten beperken
5 benoemt / is hoofd van
- de rechterlijke macht
- de nationale veiligheidsraad
- de strijdkrachten
- de staatsomroep (Radio / TV)
- de lokale vertegenwoordigers
- de invloedrijke semi-gouvernementele instellingen Raad voor de Vaststelling van de Belangen van het Systeem (RVBS):
6 mag de beslissingen van de RT vernietigen
7 mag de beslissingen van het parlement vernietigen Raad van Toezicht (RT):
8 selecteert kandidaten voor de presidentsverkiezingen
9 selecteert kandidaten voor de verkiezingen van de RD
10 selecteert kandidaten voor parlementsverkiezingen
11 heeft vetorecht over parlementsbesluiten

 

Electoraat:
12 kiest de RD uit de door RT geselecteerde
kandidaten
13 kiest het parlement uit de door RT
geselecteerde kandidaten
14 kiest de president uit de door RT
geselecteerde kandidaten
Raad van Deskundigen (RD):
15 kiest de geestelijke leider uit de door RT
geselecteerde kandidaten
Parlement:
16 oefent controle uit op het functioneren van
de president/het kabinet

 

Dit houdt in dat hij het maatschappelijk middenveld probeert te activeren dat onafhankelijk van de staat is. Hij realiseert zich hierbij dat een monopolie van de geestelijkheid over het land de noodzakelijke economische ontwikkeling frustreert en
daarmee ook de toekomst van de islam zelf. Stap voor stap probeert hij het isolement van de Islamitische Republiek te doorbreken, maar zijn manoeuvreerruimte is zeer beperkt. Khatami stuurt aan op een situatie waarin de hoge geestelijken in grote lijnen toezien op het islamitisch gehalte van Iran, maar niet steeds ingrijpen wanneer hen de ontwikkelingen in het land niet bevallen. Khatami’s beleid kenmerkt zich als een politiek die laveert tussen liberalisering naar westers model en het houden van afstand ten opzichte van invloeden die naar de maatstaven van de islamitische revolutie verderfelijk zijn.
Op 8 juni 2001 is Khatami herkozen met een nog grotere verkiezingsoverwinning.
Zelfs in het centrum van het conservatief religieuze Iran, de heilige stad Qom, won hij meer dan de helft van de stemmen. De massale steun biedt Khatami de kans om zelfbewuster met hervormingen verder te gaan. Hij weet zich daarbij gesteund door het feit dat de meerderheid van het parlement uit hervormingsgezinden bestaat. In de jaren na de islamitische revolutie werden tal van dissidenten buiten Iran om het leven gebracht. In Europa heeft de ‘Mykonos-affaire’ bekendheid gekregen, afgeleid van het Berlijnse restaurant ‘Mykonos’ waar in 1992 aanslagen hadden plaatsgevonden op Iraanse dissidenten. In het voorjaar van 1997 heeft een Duitse rechtbank vier verdachten (1 Iraniër en 3 Libanezen) tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld. Gedurende de rechtsprocedure kon voor het eerst een directe relatie worden gelegd tussen het hoogste gezag in Iran en het zogenoemde Comité voor speciale operaties van de Iraanse geheime dienst, die -onder directe leiding van de toenmalige Iraanse minister voor informatie Ali Fallahian- tientallen moordaanslagen op Iraanse critici, kunstenaars en andere dissidenten in het buitenland had gecoördineerd. Hierop werd een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de Iraanse leiders, en raakten de Iraans-Europese verhoudingen op een dieptepunt. In 1998 hernam de Europese Unie de dialoog. In 2001 is president Khatami ontvangen in Italië, Frankrijk en Duitsland.
Het jaar tevoren heeft minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) als eerste Nederlandse minister in twintig jaar een bezoek aan Iran gebracht. Het V.S.-sanctieregime leek zich onder het bewind van president Clinton te versoepelen en te richten op maatschappelijke en culturele dialoog. Na de aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington ontwikkelde zich een vorm van samenwerking tussen de VS en Iran voortvloeiend uit de logistieke en militaire steun die Iran reeds
verleende aan de Noordelijke Alliantie in Afghanistan. President Bush draaide deze voorzichtige dialoog evenwel weer om in directe confrontatie in zijn ‘State of the Union’ van januari 2002, waarin hij Iran samen met Noord-Korea en Libië tot de as van het kwaad rekende.

Hoe zal het Iran in de naaste toekomst vergaan? Dat is moeilijk te voorspellen; de politieke situatie in Iran is zeer instabiel en blijft gekenmerkt door rivaliteit tussen het conservatief-religieuze establishment enerzijds en de hervormingsgezinde religieuze
en technocratische middenklasse in de steden anderzijds. De politicoloog Mehdi Parvizi Amineh, verbonden aan het Research Centre for Political Economy van de Universiteit van Amsterdam, acht drie scenario’s mogelijk. Het eerste scenario gaat
ervan uit dat de sociale onrust en het protest opnieuw toenemen en gewelddadig worden onderdrukt. Dit kan leiden tot een tijdelijke overwinning van de conservatieven.
Het tweede scenario is gebaseerd op geleidelijke hervormingen, een ‘fluwelen revolutie’ waarbij het religieus leiderschap wordt afgeschaft. Het derde scenario is die van een verandering van onderaf, een nieuwe sociale revolutie. Amineh betwijfelt of Khatami in staat zal zijn om grondige hervormingen door te voeren, omdat hij zelf deel uitmaakt van de bestaande structuren.


1.6 Economie

Sinds 1908 is de winning van aardolie de belangrijkste inkomstenbron van Iran. Onder het bewind van de Pahlavi’s (1925-1979) geldt er een vrije-markteconomie met aanzienlijke invloed van de staat. Desondanks leeft een aanzienlijk deel van de bevolking onder de armoedegrens. Rond de jaren dertig vertoonden industrie en transport een snelle groei. De landbouw wordt echter over het hoofd gezien. Daar werken de meeste landarbeiders voor grootgrondbezitters. Deze scheve verhouding leidt uiteindelijk tot landhervormingen in het kader van de ‘witte revolutie’ (1963). Deze heeft als doel het land te oderniseren, door middel van industrialisatie, politieke rechten voor vrouwen en bestrijding van analfabetisme. Het ervormings-programma wordt evenwel niet helemaal een succes, omdat het tot verdeeldheid leidt tussen traditionalisten (waaronder de geestelijkheid) en vernieuwers. Bovendien gaat de witte revolutie niet gepaard met vernieuwing van politieke instituties. Het gevolg is dat armoede en werkloosheid toenemen, en de bevolking massaal van het platteland naar de stad trekt. De witte revolutie is daarmee een belangrijke voedingsbodem voor de ‘Islamitische Revolutie’ die 15 jaar later volgt.
Sinds de vestiging van de islamitische republiek gelden andere economische doelstellingen: geen economische overheersing door het buitenland, nadruk op de ontwikkeling van landbouw en kleine industrie, grotere staatsinvloed op de economie door nationalisatie van de basisindustrieën en een prominente plaats voor de coöperatieve sector. Door de oorlog tegen Irak (1980-1988) is de Iraanse economie ernstig ontregeld geraakt. Olie-installaties en fabrieken werden verwoest en het land kwam terecht in een situatie van grote werkloosheid en prijsinflatie. In 1988 wordt de koers enigszins verlegd in pragmatische, technocratische richting. Onder het bewind van de hojat al islam Rafsanjani, de voorzitter van het Iraanse parlement die tot president wordt gekozen, worden daarvan de eerste tekenen zichtbaar. Zijn opvolger, president Khatami, versterkt deze lijn vanuit een gegroeid besef dat een geïsoleerde islamitische politieke cultuur verdere economische ontwikkeling in de weg staat. De economie van Iran is de laatste jaren niet stabiel en in belangrijke mate afhankelijk van de olieprijzen. Het reële inkomen staat onder druk van de hoge inflatie, daarmee niet overeenkomende salarisverhogingen, gebrek aan werkgelegenheid en reductie van subsidies op basisproducten. Jaarlijks komen er ongeveer een miljoen nieuwkomers op de arbeidsmarkt bij, die de werkloosheidscijfers verder opstuwen. Het officiële werkloosheidscijfer is 13,3%, officieuze bronnen komen uit op 25%. De hoge werkloosheid is voor jongeren in toenemende mate een reden om al dan niet legaal een toekomst buiten Iran te zoeken.


1.7 Vertrek uit Iran
Sinds de Islamitische Revolutie hebben ongeveer drie miljoen Iraniërs hun land verlaten. De politieke machtsstrijd die vlak voor en na de val van de sjah losbarst, brengt een aantal opeenvolgende vluchtstromen voort, vooral naar Europa en Noord- Amerika. In eerste instantie (1979-81) vluchten de aanhangers van de sjah, hoofdzakelijk afkomstig uit de hogere klassen. De grootste groep vluchtelingen komt daarna (1981-89) en bestaat uit leden van progressieve bewegingen, sympathisanten, deserteurs en dienstweigeraars, en zij die de dominantie van de geestelijkheid op hun sociale leven niet langer kunnen verdragen. Deze groepen zijn merendeels afkomstig uit de stedelijke middenklasse. Verreweg de meesten vluchten over land naar Pakistan en Turkije. Dit is zeer kostbaar, en voor een gemiddelde Iraniër moeilijk op te brengen. Verblijf in Pakistan en Turkije bergt evenwel risico van uitzetting naar Iran in zich, reden waarom men merendeels verder trekt naar andere wereldregio’s.
De groep die aan het einde van de jaren tachtig en later naar Nederland komt bestaat hoofdzakelijk uit personen die genoeg hebben van het door de islam gedomineerde leven in Iran en elders een betere toekomst in een meer westerse leefstijl op willen bouwen. Deze groep kan na verwerving van een verblijfsstatus, eventueel gevolgd door naturalisatie, tamelijk gemakkelijk op en neer reizen tussen Iran en Nederland. Voor deze groep wordt het aanvragen van politiek asiel in het buitenland door de Iraanse overheid momenteel niet beschouwd als een strafbare, politieke daad.

2 Situatieschets van Iraniërs in Nederland


2.1 Demografische data
Iran staat al vele jaren in de ‘top tien’ van landen waarvan personen politiek asiel aanvragen in Nederland. In 1994 bereikte de instroom het hoogste punt met ruim 6.000 asielaanvragen. In de jaren daarna daalde dit aantal en stabiliseerde het zich rond 1.500 aanvragen per jaar, om in 2000 weer te stijgen. In 2000 is in ongeveer 25% van de ingediende asielverzoeken een A-status of VTV-status uitgereikt.
Sinds 1981 zijn ook ongeveer 1.300 Iraanse vluchtelingen op uitnodiging van de Nederlandse regering onder bemiddeling van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) naar Nederland gekomen.

Ingediende asielverzoeken 1990 - 2001
Jaar ------------------> Aantal
1990 -----------------> 1.724
1991 -----------------> 1.726
1992 -----------------> 1.298
1993 -----------------> 2.610
1994 -----------------> 6.075
1995 -----------------> 2.698
1996 -----------------> 1.521
1997 -----------------> 1.253
1998 -----------------> 1.679
1999 -----------------> 1.527
2000 -----------------> 2.543
2001 -----------------> 1.519

(bron: IND)

Uitgenodigde vluchtelingen 1981 - 2001
Jaar ------------------>Aantal
1981 ----------------->1
1982 -
1983 -----------------> 3
1984 -----------------> 49
1985 -----------------> 77
1986 -----------------> 83
1987 -----------------> 145
1988 -----------------> 232
1989 -----------------> 335
1990 -----------------> 212
1991 -----------------> 25
1992------------------> 86
1993 -----------------> 2
1994 -----------------> 23
1995 -----------------> 1
1996 -----------------> 9
1997 -----------------> 3
1998 -----------------> 6
1999 -
2000 -
2001 -
totaal ----------------> 1. 292

(bron: IND)

Per 1 januari 2000 zijn er 24.642 Iraniërs ingeschreven in de Nederlandse bevolkingsregisters. Dit aantal bestaat uit een eerste generatie van 21.222 personen, 3.420 personen zijn in Nederland geboren (= 2e generatie). Van dit laatste aantal hebben 2.020 personen twee in het buitenland geboren ouders en 1.400 personen één in Iran en één in Nederland geboren ouder (CBS, maandstatistiek van de bevolking, september 2001). Het betreft in nagenoeg alle gevallen personen die als uitgenodigd vluchteling of als asielzoeker naar Nederland zijn gekomen, dan wel partners of kinderen van hen. In de bevolkingsadministratie zijn opgenomen alle personen van Iraanse herkomst (volgens de zogenoemde ruime definitie) die in Nederland verblijven, hetzij genaturaliseerd tot Nederlander, hetzij in het bezit van een verblijfstitel. De samenstelling van de groep is divers, gemeten naar etnische, politieke en religieuze achtergrond.

Asielaanvragen Iraniërs in een aantal Europese landen 1997-2000

  Dui 1 Ned VK 2 Oos Bel 2 Zwe Spa
1997 3.896 1.253 585 n.b. 95 351 168
1998 2.956 1.679 745 n.b. 101 613 79
1999 3.403 1.527 1.319 3.343 165 854 79
2000 4.886 2.543 5.169 2.559 3.183 739 77

n.b. = niet bekend

  Noo Zwl Den Fra Fin Ier Totaal
1997 138 126 158 134 23 1 6.901
1998 270 172 170 153 46 1 6.985
1999 350 213 184 188 50 3 11.672
2000 327 727 378 328 50 24 20.990

1 In Duitsland worden meegereisde gezinsleden alleen geteld als deze apart asiel aanvragen.
2 In België en het Verenigd Koninkrijk worden alleen gezinshoofden geteld.
3 In Frankrijk worden meegereisde minderjarige gezinsleden niet meegeteld.

Verspreiding Iraanse asielzoekers
over Europese landen 1990-1999

Oostenrijk 10.670
België 1.290
Denemarken 2.740
Frankrijk 1.920
Duitsland 46.290
Nederland 22.110
Noorwegen 2.170
Spanje 1.910
Zweden 9.710
Zwitserland 1.700
Verenigd Koninkrijk 6.120
Overige Europese landen < 1.000
Totaal 109.630

Bron: UNHCR 1999

 

2.2 Samenstelling van de populatie

Populatie Iraniërs in Nederland naar leeftijd en geslacht per 1 januari 2001 (afgeronde cijfers)

Leeftijd Aantal man vrouw
0-9 jaar 3.475 1.800 1.690
10-19 jaar 4.780 2.610 2.175
20-29 jaar 3.095 1.675 1.435
30-39 jaar 6.920 4.400 2.535
40-49 jaar 4.250 2.515 1.755
50-59 jaar 1.325 755 580
>59 jaar 770 435 355
(Bron: CBS)
     

 

Iraanse bevolking in Nederland naar plaats in het gezin, 1997 en 1999
Ongeveer 1/3 van de Iraanse populatie is gehuwd, 1/3 is ongehuwd en volwassen
en 1/3 kind. Het overgrote deel van de kinderen is in Iran geboren.

Plaats in het gezin 1997 1999
lid van echtpaar zonder kinderen 990 1.110
lid van echtpaar met kinderen 3.755 4.580
ouder in éénoudergezin 863 1.175
kind 5.980 7.185
niet in gezinsverband levend 7.493 7.425
samenwonend paar met kinderen 250 315
totaal 19.250 21.790

2.3 Toelating tot Nederland en verblijfsperspectief

De situatie van politiek-religieuze repressie en de vervolging van andersdenkenen na de islamitische revolutie in Iran was zo evident dat de meeste asielzoekers uit dit land hier aanvankelijk zonder veel problemen een verblijfsstatus konden verwerven. Degenen die niet in aanmerking kwamen voor toelating als vluchteling kregen in de regel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV). Op 1 januari 1995 wordt het beleid om in de regel een VVTV te verlenen beëindigd.
Asielverzoeken worden vanaf dat moment kritisch getoetst, procedures duren daardoor langer. Veel asielzoekers krijgen daarna geen verblijfsvergunning meer, hen wordt uitsluitend ‘uitstel van vertrek’ toegestaan. Na kritiek van de Tweede Kamer wordt dit beleid tot uitstel van vertrek beëindigd in januari 1999. Tevoren was er veel aktie gevoerd door Iraniërs en solidaire Nederlandse organisaties die protesteerden tegen het terugzenden van Iraniërs naar Iran, omdat het land in hun ogen niet veilig was. Om zich beter te informeren over de situatie in Iran organiseerde de Tweede Kamer in oktober 1997 daaromtrent een hoorzitting.
Op 5 oktober 1999 is Tussentijdse Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/22 gepubliceerd op grond waarvan Iraanse asielzoekers die een eerste asielaanvraag hebben ingediend vóór 25 juni 1996 voor een vergunning tot verblijf in aanmerking kunnen komen. Deze regeling is in het leven geroepen om duidelijkheid te scheppen in de nog lopende Iraanse asielzaken, nadat het VVTV-beleid en het uitstel vanvertrekbeleid waren komen te vervallen.

Vestigingssituatie Iraniërs in de grote
steden per 1 januari 2001

Gemeente --------------->Aantal
Amsterdam --------------> 2.080
Rotterdam ---------------> 1.405
Den Haag ----------------> 1.000
Delft ----------------------> 695
Almere -------------------> 780
Groningen ----------------> 620
Amersfoort ---------------> 595
Nijmegen -----------------> 640
Eindhoven ----------------> 470
Utrecht -------------------> 475
Arnhem -------------------> 435
Zoetermeer ---------------> 435
Zwolle --------------------> 405
Overige steden ------------< 400
(Bron: CBS, statline)

De belangrijkste strekking van dit TBV was om aan degenen die op 22 januari 1999 nog in de opvang verbleven en op of voor 25 juni 1996 een asielaanvraag hadden ingediend een vergunning tot verblijf te verlenen, mits men aan drie voorwaarden kon voldoen: geen criminele antecedenten, het voeren van één identiteit, geen valse documenten. Sinds 22 januari 1999 wordt geen uitstel van vertrek meer verleend. Iraniërs die een negatieve uitspraak krijgen op hun asielverzoek wordt ook geen verdere opvang verleend.
De politieke situatie in Iran lijkt zich in positieve richting te ontwikkelen, maar het proces verloopt traag en schoksgewijs. De Iraniërs die in het begin van de jaren tachtig naar Nederland kwamen, leefden nog in de veronderstelling op korte termijn weer terug te kunnen keren. Vaak was het een kwestie van toeval dat men in Nederland terecht kwam. Het beschikbare reisgeld reikte bijvoorbeeld niet verder, of de reisagent bood alleen een reis naar Nederland aan.

‘Nederland was geen keuze. En Nederland (mogelijk werd bedoeld ‘Nederlands’, red.) valt niet mee. Jammer dat het zo gelopen is, want Australië was veel gemakkelijker geweest wat betreft taal, werkgelegenheid en bureaucratie, we lopen nu tien jaar achter.’
(Boekhoorn, 1993, p. 16).

Sommigen wilden doormigreren naar familieleden of naar politieke medestanders elders. Integratie in Nederland was totaal niet aan de orde. Deels waren de enige expliciete doelen die men zich stelde verbonden aan politieke activiteiten. Pas na enige tijd ontwikkelt zich het besef dat het veronderstelde tijdelijke verblijf in Nederland wel eens langer zou kunnen gaan duren.
Terugkeer is afhankelijk van daadwerkelijke verandering van de politieke situatie in Iran. Velen hopen daarop, maar realiseren zich dat een daadwerkelijke omwenteling nog jaren kan duren. De belangrijkste redenen om terug te keren zijn het gemis aan gezin/familie en het sociale leven in Iran. Ook wil men helpen met de opbouw van Iran of verwacht men daar een betere economische positie te kunnen realiseren.
Naarmate het verblijf in Nederland langer duurt neemt de integratie van betrokkenen, en hun kinderen, in Nederland vastere vorm aan.

‘Nooit meer een ander land, alleen nog de hemel. Ik wil dat mijn kinderen zich in Nederland thuis voelen, ik wil niet dat zij nog een keer moeten wennen aan een land. In Iran voelden wij ons ook anders, het is niet ons vaderland, wij hebben geen eigen land, dus het is beter om in Nederland te blijven’
(Respondent die in Iran tot een etnische minderheidsgroep behoorde, in: Brink, 1997, p. 75).

Volgens het ambtsbericht van november 1999 keren jaarlijks duizenden Iraniërs voor korte of langere tijd zonder problemen terug naar Iran. Er is een levendig vliegverkeer tussen Teheran en Schiphol, groter dan bijvoorbeeld tussen Paramaribo en Schiphol.
Het betreft hier hoofdzakelijk Iraniërs die voor de Iraanse autoriteiten geen omstreden politieke geschiedenis hebben. De meesten van hen hebben inmiddels een Nederlands paspoort. In de andere richting betreft het vooral personen die op bezoek komen bij familie in Nederland. Het CBS, sector bevolking, vermeldt dat het aantal genaturaliseerde Iraniërs per 1 januari 2000 11.731 bedraagt.
Terugkeer van afgewezen en uitgeprocedeerde asielzoekers oordeelt de Nederlandse regering als mogelijk. Volgens de Iraanse autoriteiten kunnen Iraniërs die dat willen zonder problemen vrijwillig terugkeren. UNHCR staat op het standpunt dat Iraniërs die na een zorgvuldige asielprocedure zijn afgewezen teruggestuurd kunnen worden. (Hierbij moet wel worden aangetekend dat deze terugkeerders zich dienen te onthouden van politieke activiteiten tegen het bewind.) Over de terugname van gedwongen terugkeerders zijn Nederland en Iran in onderhandeling. Sinds 1998
worden uitgeprocedeerde Iraniërs mondjesmaat Nederland uitgezet.

2.4 Netwerk in Nederland

De Iraanse populatie in Nederland neemt op het vlak van onderlinge netwerken een eigen positie in. Terwijl de meeste vluchtelingengroeperingen zeker in de beginperiode elkaar opzoeken en samen activiteiten ondernemen, is het beeld bij Iraniërs diverser.
Dit vindt een belangrijke verklaring in de grote verschillen tussen Iraniërs naar politieke achtergrond. Samenwerking tussen verschillende politieke stromingen wordt in de regel niet nagestreefd. De eigen richting die elke afzonderlijke organisatie wil gaan, weerspiegelt zich in Nederland in vele tientallen zelforganisaties, verdeeld naar geografisch werkterrein (lokaal/regionaal/nationaal) of interessegebied (cultuur, beroepsgroep, etc.).

‘Die verschillende groepjes willen wel samen, maar ze unnen niet. Je kunt ook niet verwachten van Iraniërs dat ze neutraal zijn, bij ons is politiek een kwestie van leven of dood. Dat werkt in alle aspecten door. We kunnen niet zo vrijblijvend met elkaar omgaan als jullie. Bij ons is het ja of nee. Of je bent een vriend, of je bent een vijand. Als twee vrienden ruzie krijgen, dan komt het vaak nooit meer goed.’
(Postel, 1993, p. 173).
‘(...) Toen ik taallessen wilde opzetten voor de kinderen, om te verzekeren dat ze konden blijven communiceren met landgenoten, kreeg ik in het begin heel weinig respons; ouders waren bang dat ik niet neutraal was. Pas toen ik een jaar lang door mijn gedrag liet zien dat ik niet partij-gebonden was, kwam het een beetje op gang.’
(Postel, 1993, p. 178/179)

Overigens zijn veel Iraniërs die ideologische strijd inmiddels moe, en hebben ze in Nederland helemaal geen contact (meer) met Iraanse belangenorganisaties. De Vereniging van Iraanse Vluchtelingen in Nederland (VIVN), in 1984 opgericht, had in 1989 300 leden, maar heeft zich niet kunnen ontwikkelen tot een breed landelijk platform. In 1997 wijzigde de VIVN zijn doelstellingen: men richtte zich vanaf dat moment niet meer primair op het politieke verleden van de Iraniërs, maar op participatie en integratie in Nederland. VIVN stond vanaf dat moment voor Nederlandse Vereniging van Iraniërs.

Een initiatief van het landelijk platform VON (Vluchtelingen-Organisaties Nederland) om samen met de VIVN en een aantal andere Iraanse organisaties een Platform van Iraanse Vluchtelingen-Organisaties in Nederland (PIVON) op te richten heeft vooralsnog niet geresulteerd in daadwerkelijke landelijke samenwerking. Aktief is voorts de organisatie ‘Nabard’, die onder meer bijeenkomsten organiseert en publicaties uitbrengt over zowel de politieke situatie in Iran als over integratie in Nederland. Hun rapporten zijn te vinden op de website www.nabard.nu. Voorts verdienen nog vermelding de website www.womeniran.org, met links naar zelforganisaties van Iraanse vrouwen, en de website van Iraanse jongeren www.youthiran.com. Websites van lokale Iraanse organisaties zijn onder andere www.isan.nl en www.pars.iranestan.com. Op het terrein van cultuur en wetenschap is via het web informatie beschikbaar over de stichting Iranian on the move (www.iotm.nl) die zich richt op culturele evenementen en de Iranian scientific association in the Netherlands (www.isan.nl) die wetenschappers bijeen brengt.

3 Positie op het terrein van integratie

3.1 Startpositie
Gemiddeld hebben de Iraniërs die in Nederland wonen in het land van herkomst een goede opleiding genoten. De meesten zijn afkomstig uit de steden, spreken Engels, een enkele keer ook andere westerse talen. Zij behoorden in Iran tot het moderne deel en hadden veelal een westerse levensstijl. Een klein deel, voornamelijk van Koerdische herkomst, is afkomstig van het Iraanse platteland. Aanvankelijk moesten de Iraniërs enorm wennen aan de Nederlandse samenleving.
Men leefde in de veronderstelling hier mogelijkheden te hebben een materiële positie te kunnen verwerven die vergelijkbaar zou zijn met die in het eigen land. Het beeld van de succesvolle Iraanse gemeenschap in de landen van Noord Amerika was daarbij veelal leidend. De realiteit is evenwel dat de hier geldende structuur van regelgeving, een meer gesloten economie, kwalificatie-eisen voor beroepen, beheersing van de
Nederlandse taal het zeer moeilijk maken een dergelijke positie te bereiken. Bovendien is in Nederland het familie- of relatienetwerk, dat in Iran heel bepalend is, van beperkte invloed op de economische positie en carrière.
Het besef sociaal-economisch weer vanaf een nulpunt te moeten beginnen is aanvankelijk een schok. Men ervaart het als wrang om gecategoriseerd te worden als ‘etnische minderheid’ en ervaart dit als grote achteruitgang in status. Dit verklaart de keuze van Iraanse nieuwkomers om gedurende lange tijd categorisch Engels te blijven spreken. Hoezeer bij de meesten het besef aanwezig is dat kennis van het Nederlands essentieel is om controle over de eigen situatie te krijgen, verwacht men door middel van communicatie in het Engels een betere behandeling te krijgen.

‘Iraniërs verwachten meestal veel van Nederland, ik ook. Het valt altijd tegen. Het beeld dat wij hebben van Europa is vertekend. We verwachten financieel meer; in ‘het Westen’ moet het beter zijn dan bij ons. Ook van de mentaliteit verwachten we meer. (...) Toen ik pas hier was schrok ik van de Nederlanders.
Ze waren zo anders dan ik verwachtte. Je denkt dat ze een rol spelen; ze kúnnen niet zo dom zijn!’
(Postel, 1993, p. 164).

3.2 Arbeidsmarkt
De weg naar een goede positie op de arbeidsmarkt is lang en zwaar. Het blijkt moeilijk een baan te vinden die aansluit bij de aspiraties en kwaliteiten. Deels houdt dit verband met de kwalificatie-eisen die in Nederland gesteld worden voor specifieke beroepen, deels ook met het gesloten karakter van de Nederlandse arbeidsmarkt en sollicitatieprocedures. Vooral hoger opgeleiden hebben er moeite mee werk te accepteren dat zij
onder hun niveau vinden liggen. Iraniërs met een technische opleiding en werkervaring in Iran die in Nederland bijscholing hebben gekregen, zijn het meest kansrijk.
Ook in de medische en dienstverlenende sector hebben veel Iraniërs emplooi gevonden. Het meest succesvol zijn jonge Iraniërs die in Nederland afstuderen aan een hogere opleiding. Uit het onderzoek van Van den Tillaart blijkt dat ongeveer de helft van de Iraniërs die werk zoeken inderdaad een baan heeft, meestal in loondienst. Het betreft even vaak tijdelijk werk als vaste banen. De meeste werkenden vinden dat hun werk goede mogelijkheden biedt om vooruit te komen, dat werk inhoud en regelmaat aan het leven geeft, dat zij door hun werk goede en plezierige contacten opdoen met Nederlanders en zij daardoor de Nederlandse samenleving beter leren kennen. Personen die werk hebben gevonden dat aansluit bij hun capaciteiten zijn aanmerkelijk meer tevreden dan degenen die menen onder hun niveau te werken.
Degenen die zichzelf weinig kans toedichten op de arbeidsmarkt proberen soms eigen bedrijfjes op te richten, meestal eenmanszaken of familiebedrijfjes. In andere landen, zoals Zweden, de Verenigde Staten, Duitsland en Canada zijn tal van Iraanse ondernemers succesvol. Uit een onderzoek ‘Monitor etnisch ondernemerschap’ blijkt dat er in het jaar 2000 620 Iraanse ondernemers actief waren, met een gemiddelde
leeftijd van 37 jaar. Maar het starten van een eigen bedrijf blijkt lang niet altijd een succes: de helft haakt binnen drie jaar af. Naast het gebrek aan ondernemersvakmanschap zal daarin ook meespelen dat de Iraanse gemeenschap in Nederland als meest nabije afzetmarkt nog klein is. De belangrijkste sectoren waarin men onderneemt zijn: groothandel (25%), detailhandel (23%), horeca (restaurants, cafetaria, catering e.d.)
(12%), overige zakelijke dienstverlening (adviesbureaus, pr-bureaus e.d.) (19%) en persoonlijke dienstverlening (rijschool, schoonmaak e.d.) (10%). Deze sectoren zien wij ook terug bij ondernemers uit de andere etnische groepen (Van den Tillaart 2001).

3.3 Onderwijs
Het onderwijssysteem in Iran is van origine op Franse leest geschoeid, later door de sjah omgezet in een Amerikaans high school-systeem. Sinds de islamitische revolutie is het onderwijs gepolitiseerd naar de creatie van ideologisch en politiek loyale burgers en op het laten herleven van een islamitische identiteit. De onderwijsparticipatiegraad in het primaire onderwijs is 100% bij de mannen en iets daaronder bij de vrouwen. Het
onderwijs is gratis toegankelijk voor kinderen op de basisschool (6 tot 11 jaar). Sinds mei 1979 volgen mannen en vrouwen gescheiden onderwijs, behalve op de universiteiten. Over het algemeen zijn Iraanse vluchtelingen hoog opgeleid en hebben ze minstens de middelbare school afgerond, op een niveau vergelijkbaar met HAVO. Vooral mannen hebben wanneer zij naar Nederland komen een al dan niet afgeronde hogere opleiding.

Basisonderwijs
Uit het onderzoek van Van den Tillaart komt naar voren dat vrij veel Iraanse ouders problemen signaleren met hun kinderen op school. Het gaat dan om overgangsproblemen, taalmoeilijkheden en achterblijvende prestaties. Veel ouders geven aan weinig of geen contacten te hebben met ouders van andere kinderen. Een beperkt deel van de ouders heeft zijn kinderen op de crèche gedaan, of aan speciale programma’s voor ouder en kind laten meedoen. De kinderen spreken vrijwel allemaal goed Nederlands, hoewel thuis bijna altijd Perzisch wordt gesproken. Het valt de ouders op
dat in het Nederlandse onderwijs de docent niet autoritair optreedt. In Iran worden kinderen geacht hun leraar met respect te behandelen. Discipline is in het Iraanse onderwijs belangrijk. Dat mist men hier. Aan de andere kant wordt het gewaardeerd dat de kinderen in het Nederlandse onderwijs al op jonge leeftijd leren zelfstandig over zaken na te denken. Volwasseneneducatie Van den Tillaart geeft aan dat ongeveer de helft van de Iraanse populatie in Nederland dagonderwijs volgt of heeft gevolgd. Eénderde volgde een beroepsgerichte cursus om de kans op werk te verbeteren. Zeer veel Iraniërs hebben taallessen Nederlands gehad.
Ruim de helft zegt dat zij zelf goed Nederlands spreken; verstaan en begrijpen van het Nederlands gaan doorgaans nog wat beter. Van de geïnterviewde Iraniërs heeft 41% Cito-eindniveau 5 gehaald, 27% niveau 4 en ongeveer 32% niveau 1 t/m 3. Veel Iraniërs vinden het tempo en niveau van de taallessen te laag. Zeker degenen die al een andere Europese taal beheersen willen meer snelheid, mede om eerder klaar te zijn voor de
arbeidsmarkt. Ongeveer de helft van het cliëntenbestand van de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF bestaat uit Iraanse studenten die een studie op HBO of universitair niveau volgen. Voor jongeren met weinig of geen werkervaring in Iran is het min of meer vanzelfsprekend om zich in Nederland te richten op een (liefst universitaire) studie, zeker wanneer men uit de hogere milieus komt. Velen zijn ambitieus en succesvol. Er is een voorkeur voor studierichtingen die men vanuit Iran kent en daar prestigieus waren, zoals geneeskunde, tandheelkunde en andere technische studies.

3.4 Gezondheid
Uit verschillende onderzoeken is bekend dat het Nederlandse beeld van ziek zijn c.q. van de gezondheidszorg sterk afwijkt van dat van andere culturen. Vera memoreert aan de belangrijke rol van de Nederlandse overheid in de organisatie van de gezondheidszorg, waar dat in andere culturen meer een taak is van de familie. Geestelijke en sociale problemen worden meestal als persoonlijk beschouwd en in eigen kring besproken.
De Nederlandse gezondheidszorg staat ook open voor niet-Nederlandse patiënten, maar dat betekent niet dat Iraniërs het Nederlandse systeem kennen en er ook vertrouwen in hebben.
Uit onderzoek blijkt ook dat er in de gezondheidszorg veel communicatieproblemen zijn, gebaseerd op verschillen in verwachtingen, rollen, diagnose van ziektebeelden, voorschrijven van medicijnen. In Iran wordt de dokter als een autoriteit ervaren die autonoom bepaalt of een operatie wel of niet noodzakelijk is. In Nederland wordt dit voor een belangrijk deel overgelaten aan de patiënt zelf. In Iran bestaat vrije keuze van arts of specialist, en heeft niemand een vaste arts die een dossier bijhoudt of een patiënt een verwijzing kan geven. Nederlandse artsen zouden zich volgens Iraniërs beter moeten verdiepen in hun waarden en normen alvorens een behandelwijze te kiezen. Zo zou men bijvoorbeeld moeten weten dat Iraniërs bij lichamelijke klachten vaak prijs stellen op een fysiek gericht onderzoek en een daarop gerichte behandeling. De structuur en functie van de geestelijke gezondheidszorg is voor de meeste Iraniërs een onbekende wereld. Men is dan ook erg terughoudend daarop een beroep te doen.
De scheiding tussen gek en normaal wordt binnen de Iraanse cultuur veel scherper getrokken. Een Iraniër die naar een sociaal-psychiatrische dienst gaat, loopt een goede kans door zijn landgenoten als geestesziek te worden beschouwd. Depressies komen onder vluchtelingen vaak voor; Iraanse vluchtelingen vormen daarop geen uitzondering. De gedwongen migratie, trauma’s vanwege meegemaakte -vaak schokkende- gebeurtenissen, gemis van familie, gemis van een vertrouwd cultureel kader, de lange, onzekere asielprocedure, geen passend werk kunnen vinden, stress bij het alleen moeten regelen van complexe zaken, al dergelijke factoren kunnen daar aan bijdragen. Het leven in ballingschap leidt in veel gevallen tot een gespleten gevoel enerzijds te willen integreren in de nieuwe maatschappij, anderzijds de banden met de eigen cultuur niet te willen verbreken. De drang tot overleven is evenwel dermate groot, dat men psychische problemen die daaruit voortvloeien liever wegstopt.

‘Ik heb via de huisarts een doorverwijzing gekregen naar het RIAGG. Ik heb daar een jaar gelopen. Zij weten niets van onze achtergrond. Ik moest veel over mijzelf en mijn achtergrond vertellen. Ik moest de psychologe er steeds
op wijzen dat ze de dingen bekeek vanuit het perspectief van Nederlandse vrouwen. Ik had het idee dat ik haar moest opvoeden, dat kostte veel tijd.’
(Iraanse vrouw, in: Vera 1998).
‘De enige oplossing voor de behandeling van psychische problemen is: werk. Veel buitenlanders hebben geen werk en zitten de hele dag thuis. Ik heb dat zelf ook meegemaakt. Je wordt gek van het binnen zitten. Je hebt heel veel tijd om na te denken over je familie, het land, je toekomst en verleden. Als je aan het werk bent, kun je hierover niet nadenken. Dan denk je alleen ‘s avonds een uurtje over al je problemen.’
(Iraanse informant in: Jukema 1996).

3.5 Huisvesting
De grote steden in de Randstad zijn een populair vestigingsgebied voor Iraniërs. Dat hangt samen met de stedelijke agglomeratie waar de meesten uit afkomstig zijn, maar ook met het feit dat er daar meer mogelijkheid is tot sociaal contact, tot werken of studeren. Postel constateerde in 1993 dat met name de alleenstaanden verhuizen naar de grote steden, maar deze trend zien we nu bij de Iraanse gemeenschap in totaliteit.
Eén derde van de populatie woont thans in 9 grote steden. Uit het onderzoek van Van den Tillaart komt naar voren dat nagenoeg alle Iraniërs in een huurhuis wonen, waarvan tweederde in een flatwoning, boven- of benedenwoning. Ongeveer een kwart woont in een eengezinswoning. Men woont vooral in straten/buurten waar overwegend Nederlanders wonen (60%) of waar de bevolkingssamenstelling autochtoon-allochtoon ongeveer gelijk is (22%). Qua woonlokatie wijken de Iraniërs daarmee af van de mainstream van personen uit etnische groepen die wonen in etnische concentraties. Hier zien we terug dat Iraniërs ook wat betreft de woonomgeving liever contacten onderhouden met autochtonen dan met etnische minderheden.

3.6 Sociale relaties
Bij Iraniërs lijkt minder sprake van een collectief identiteitsgevoel dan bij andere vluchtelingenpopulaties. Somaliërs, bijvoorbeeld, vinden een inspiratiebron in hun etnische identiteit, ook in het vluchtland, terwijl Iraniërs spanningen ervaren tussen hun identiteit en de nieuwe omgeving. Men moet vaak wennen aan de Nederlandse compromiscultuur. Iraniërs zijn meer gewend vast te houden aan de eigen principes.
Wat Iraniërs verder typeert is het actief ontwikkelen van sociale relaties buiten de eigen gemeenschap. Hoog opgeleiden vinden en zoeken gemakkelijker aansluiting met Nederlandse gelijkgestemden dan met landgenoten. Hier zal ook bij meespelen dat veel Iraniërs bekend zijn met of geïnteresseerd in het Europees cultureel erfgoed. Gemengde huwelijken tussen Iraniërs en Nederlanders komen relatief veel voor.
Bij relatief veel Iraanse gezinnen komt het binnen enkele jaren na aankomst in Nederland tot echtscheiding. Bijna één op de vijf ouders voedt de kinderen op in een éénoudergezin. Een belangrijke verklaring hiervoor zit in het sterk veranderde rolpatroon als gevolg van vestiging in een westerse samenleving. Binnen de Nederlandse context zijn vrouw en man gelijkwaardig, terwijl in het land van herkomst de man zowel qua status als in financieel opzicht hoofd van het gezin is. Deze veranderde relatie leidt vaak tot spanningen binnen het gezin, waarbij de man wil vasthouden aan de tradities en rolpatronen uit het land van herkomst, terwijl de vrouw grote veranderingen in het gezinsleven voorstaat. Daarbij komt dat er voor de vrouw in Nederland de financiële noodzaak om gehuwd te blijven wegvalt, omdat ze bij echtscheiding eventueel kan terugvallen op een uitkering. Deze ontwikkeling is overigens niet typerend voor Iraniërs in Nederland; hetzelfde doet zich voor bij andere vluchtelingengroepen en in andere West-Europese landen.

‘(...) Waarom zou ik met Iraniërs om moeten gaan, alleen omdat het Iraniërs zijn? Ik wil iets met iemand kunnen delen. Ik heb wat dat betreft meer aan mijn Nederlandse buren hiernaast.’
(Postel, 1993, p. 174).

4 Conclusies voor het integratieproces
De binnenkomst van Iraniërs die gevlucht zijn vanwege de vestiging van de islamitische Republiek in Iran omspant inmiddels zo’n twintig jaar. Het bevolkingsaantal bedraagt volgens cijfers van het CBS per 1 januari 2001 bijna 25.000 personen. Dit aantal zal de komende jaren verder groeien als gevolg van voortgaande instroom (asielmigratie en gezinsmigratie) en geboorten in Nederland. De eerste jaren heeft men het in het algemeen erg moeilijk. Hooggestemde verwachtingen over een nieuwe toekomst lopen vaak stuk op niet te realiseren carrièreperspectieven. Veel Iraniërs hebben -om uiteenlopende redenen- lang in onzekerheid verkeerd of men in Nederland zou blijven. Binnen de groep die in de jaren tachtig is gekomen, leefde lang de hoop op een politieke omwenteling, waardoor terugkeer mogelijk zou zijn. Daarnaast bracht de frustratie over de beperkte economische mogelijkheden in Nederland velen ertoe zich ook op andere landen te oriënteren en door te migreren, onder andere naar de Verenigde Staten en Canada. De groep die rond 1995 kwam heeft het erg moeilijk gehad omdat zij jarenlang in onzekerheid bleef over de verblijfspositie in Nederland, en in landelijke asielzoekerscentra verbleven die weinig privacy boden. Dit heeft bij velen onder hen het vertrouwen in de Nederlandse samenleving ondergraven.
Al deze factoren hebben vertraging opgeleverd in het integratieproces. Daar staat tegenover dat door de jaren heen wel besef is gegroeid dat de politieke situatie in Iran niet snel zal veranderen waardoor het voor menigeen beter is definitief te investeren in een nieuwe toekomst buiten Iran. Verschillende tekenen wijzen erop dat de Iraanse gemeenschap langzaam maar zeker een plaats vindt in de Nederlandse samenleving.
We zien dit terug in de opkomst van Iraanse bedrijven, de ontwikkeling van Iraanse organisaties, de groei van het aantal Iraanse academici op hogere functies. Uit het onderzoek van Van den Tillaart blijkt dat de meeste Iraniërs inmiddels goed zijn thuis geraakt in Nederland en bekend zijn met de regels, gebruiken en gewoontes die hier gelden. Hier zit tegelijkertijd een knelpunt in het integratieproces. Teveel Iraniërs bevinden zich nog in arbeidsposities die niet aansluiten bij hun potentie. Daardoor blijft er een vorm van ontevredenheid bestaan. De reden voor de vooralsnog matige arbeidsmarktpositie van de Iraanse populatie hangt deels samen met verschillende factoren zoals kennis van het Nederlands en van andere noodzakelijke communicatievaardigheden bij de werkzoekende, maar ook met het feit dat werkgevers onvoldoende kennis hebben van het potentieel onder Iraniërs.

Ik vind de Nederlandse cultuur niet leuk! Ik heb er spijt van dat ik gevlucht ben en ik denk veel over terugkeer, anderen ook. Ik heb er nooit over nagedacht dat ik zoveel zou lijden. Maar terugkeer is niet haalbaar. Wij zijn deze maatschappelijke structuur gewend, wij zijn getrouwd, onze kinderen zijn hier groot geworden, wij zijn hier aan rechtvaardige relaties gewend, maar wij kunnen niet goed met deze mensen contact leggen. Bij de Nederlanders ontbreekt magie en ze leven zakelijker.
Interview Iraanse man, in : Valianpour)

Ook voorziet de Nederlandse inburgering niet voldoende in instrumenten om hoger opgeleide Iraniërs hier bij te scholen tot het beroepsniveau dat men in het land van herkomst had. Aan de vraagkant speelt verder mee dat werkgevers vluchtelingen veelal bejegenen vanuit hetzelfde referentiekader als klassieke migrantengroepen, terwijl Iraniërs gemiddeld veel hoger zijn opgeleid dan groepen uit de wervingslanden. En dan is er nog het probleem dat velen jarenlang in asielzoekerscentra hebben doorgebracht met weinig mogelijkheden tot maatschappelijke ontplooiing. Al deze factoren leiden tot een grote mate van frustratie bij Iraniërs en maken het noodzakelijk om maatgerichte begeleiding naar passend werk in te zetten, barrières te overwinnen en Iraniërs op het arbeidsniveau te laten participeren dat zij ambiëren.
Zal men op den duur terugkeren naar Iran? Dat zal erg afhangen van de politieke én de economische vooruitzichten in dat land. Naarmate de geestelijke leiders langer aan de macht blijven, zal de hier wonende Iraanse bevolking steeds meer vervlochten raken met de Nederlandse samenleving. Met het jaar zal het moeilijker worden de vrijheid van meningsuiting en de ‘Europese’ inrichting van het leven waarmee men vertrouwd
is geraakt weer op te geven. Mocht zich de komende jaren een proces van politieke vernieuwing gaan voltrekken, dan betekent dat nog geenszins dat dit zal leiden tot massale terugkeer van Iraniërs naar hun geboorteland.
Het valt te verwachten dat de Iraanse groep uiteindelijk tamelijk geruisloos zal opgaan in de Nederlandse samenleving. De afstand tot de westerse leefwijze is kleiner dan bij de meeste andere etnische minderheden, men is gemiddeld goed opgeleid en heeft de ambitie er in Nederland het beste van te maken. Dit vermindert aanmerkelijk de kans op langdurige integratieproblemen. Twee elementen lijken van belang om het integratieproces te bespoedigen. Enerzijds het bieden van ondersteuning bij het vinden van passend werk. Anderzijds een meer open attitude van de ontvangende samenleving waarbij Iraanse vluchtelingen niet bejegend worden als gasten, of als problematische minderheden, maar als nieuwe burgers die een volwaardige plaats zoeken in Nederland. Dat vraagt om een open samenleving waarin nieuwe Nederlanders volwaardig deelnemen aan alle facetten van het maatschappelijk leven en zich daardoor thuis kunnen gaan voelen in dit land.

De eerste voorwaarde is een land waar ik vrij kan denken en vrij kan doen. De omgeving (sfeer) en de omgangsregels maak ik zelf. Dus, ik voelde me in Iran niet meer thuis. Voor mij is niet van belang waar ik geboren en de moedertaal die ik spreek. Volgens mij beïnvloedt de mate van je succes zeer je ‘thuisvoelen’, integratie en identiteit’.
(vrouw, werkend, getrouwd, in: Valianpour)

Gebruikte literatuur


Boekhoorn, Paul & Anne Marij Postel (1993). Vluchtelingen en sociaal-economische positie. Vietnamese en Iraanse vluchtelingen in Nederland. OABG Nijmegen.
Brink, Marjolein (1997). Waar een wil is, is een weg? De moeizame integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt. Vervolgonderzoek onder vluchtelingen uit Iran, Somalië en voormalig Joegoslavië. Amsterdamse Sociaal-Geografische Studies 55, Instituut voor Sociale Geografie, Universiteit van Amsterdam.
Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (2002) Landen van herkomst. Informatie over twaalf landen waar asielzoekers vandaan komen. COA, Den Haag.
Davishpour, M. (2001), Women challenge the role of men; sociological essays on Iranian women, family and immigration. Baran publications, Sweden (Baran@chello.se)
Firooz en Van Bockel (1991). Iraanse vluchtelingen in Nederland. In: Toevlucht gezocht, Generale Diakonale Raad, Driebergen.
Ghorashi, H. (2002). Ways to survive, battles to win: Iranian women exiles in the Netherlands and the US. New York, Nova Science Publishers.
Golyardi (red.) (2000). Andere berichten uit Teheran; Iraanse identiteit na het fundamentalisme. De Balie, Amsterdam.
Hamidi, Leyla (1991). Iran. Landenreeks Koninklijk Instituut voor de Tropen, Novib, NCOS, Amsterdam, Den Haag.
Iran and Iranians (1985). Uit: Cultural profiles (1985). Cross cultural learner centre. London, Ontario, Canada.
Iraniërs in Nederland en de toekomst van ouders en kinderen (2000). A. Eindverslag van een eerste verkenning in 1999, B. Samenvatting van de interviews: ouders en jongeren. Onder redactie van Annelies van de Molen, Kontakt der Kontinenten, Soesterberg.Jukema, J.S. & N.P. Wilts (1996). Gezondheidszorg door de ogen van vluchtelingen.
Patiënten/Consumenten Platform Zwolle.
Keulen, Jan (1999). Weg van God? Iran twintig jaar na de revolutie. Uitgeverij Bulaaq, Amsterdam.
Koser, Khalid (1997). Het toelatingsbeleid: ervaringen van Iraanse asielzoekers in Nederland. In: Migrantenstudies 1997, nr. 1.
Landen van herkomst (1996). Informatie over zeven landen waar asielzoekers vandaan komen: Afghanistan, Angola, Irak, Iran, het voormalige Joegoslavië, Somalië, Zaïre.
Uitgave van Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA), Rijswijk.
Landenwijzer Iran (1998). Bijeen, Den Bosch.
Molenaar, Lenneke (2000), Verhalen van kennis maken. Hoe negentien vluchtelingen uit de regio’s Iran en Somalië spreken over identiteit en integratie in Nederland.
Onderzoek in opdracht van VluchtelingenWerk Hilversum.
Müller, H (2001): Khatami wacht nieuwe confrontatie, Volkskrant 11 juni 2001
Nekuee, Shervin en Maykel Verkuyten (1999). Emotionele distantie en integratie: Iraanse politieke vluchtelingen in Nederland. In: Mens en Maatschappij, november 1999.
Nekuee, Shervin and Maykel Werkuyten (1999). Subjective well-being, discrimination and cultural conflict: Iranians living in the Netherlands. In: Social Indicators Research 47: 281-306, 1999 Kluwer Academic Publishers, The Netherlands.
Parvizi Amineh, Mehdi (1999). Khatami wil slagen waar Gobatsjov faalde.
De Volkskrant, 26 juli 1999.
Onderwijs in Iran (1997). UAF-landenmonografie, Utrecht 1997
Postel, A.A. en P.F.M. Boekhoorn (1993). Een wereld van verschil; ervaringen van
vluchtelingen in Nederland. Onderzoek- en Adviesbureau Geerts, Nijmegen.

Pot, Miriam (1996). Tussen IJs en As. Een onderzoek naar het integratieproces van Koerdische en Iraanse vluchtelingenvrouwen in Nederland. Vluchtelingen-Organisaties Nederland (VON), Utrecht.
Pree, Priscilla de (1998). Over de kloof... Een kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van vluchtelingen met de Nederlandse gezondheidszorg, in de stad en op het platteland. VluchtelingenWerk Nederland, Amsterdam 1998.
Situatie in Iran (2001). (Ambtsbericht Iran), Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag.
Tillaart, Harry van den, et al. (2000): Nieuwe etnische groepen in Nederland. Een onderzoek onder vluchtelingen en statushouders uit Afghanistan, Ethiopië en Eritrea, Iran, Somalië en Vietnam. Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS),
Nijmegen.
UAF (1997).Onderwijs in Iran, UAF-Landenmonografie Iran, Utrecht
Tillaart, Harry van den (2001): Monitor Etnisch Ondernemerschap. ITS Nijmegen.
Valianpour, J. (1999). Al doende een identiteit. Een onderzoek naar identiteit en integratie van hoogopgeleide Iraanse vluchtelingen in Nederland (Afstudeerproject hogeschool van Amsterdam)
Vera, Patricia (1998). Dan is je spiegel gebroken. Een onderzoek naar de problemen van vluchtelingen met gezondheid en gezondheidszorg in Nederland. Brabants
Ondersteuningsinstituut Zorg, Tilburg.
Veer, Guus van der (1987). Psychische problemen van jonge Iraanse vluchtelingen. In: Jeugd en Samenleving, 17 (1987), 6 (354-365 / juni).

Websites:
www.lcweb.loc.gov
www.britannica.com/
www.buitenlandse zaken.nl
www.minbuza.nl/actueel/ambtsberichten
www.iranpagina.nl
www.studentfile.org (met links naar verschillende Iraanse zelforganisaties)
www.youthiran.com

Adressen van landelijke Iraanse zelforganisaties:
Platform van Iraanse Vluchtelingen-Organisaties in Nederland (PIVON), p.a Merelstraat 2 bis, 3514 CN Utrecht, Tel: 030 – 2758962
Raad van Iraanse Vluchtelingen en Migranten in Nederland (RIVMIN), Weena 745, 3013 AL Rotterdam, Tel 010 – 2335060
Nederlandse Vereniging van Iraniërs (VIVN), Postbus 22814, 1100 DH Amsterdam
Nabard Culturele Associatie-Nederland, Postbus 11673, 2502 AR Den Haag, Tel. 06 – 50588841, www.nabard.net
Iraanse Vluchtelingen Zelf Organisatie (IVZO), Weena 1099, 3013 AL Rotterdam

Colofon
Uitgave
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden
Tekst
Thomas Hessels
Productiebegeleiding
Directie Voorlichting en Communicatie
Lay out en druk
Directie Informatievoorziening
Meerdere exemplaren kunt u opvragen bij het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Afdeling servicevoorlichting
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
Telefoon (070) 426 60 38
Juni 2002